Hotel Zama

De dag begon welbeschouwd zoals hij altijd begon. Er was geen teken van onheil, van naderende
rampspoed of dat soort zaken. Tenminste: niet waar ik me van bewust was. Maar ik weet ook dat
wij mensen onszelf hebben afgesloten voor de tekenen die de natuur ons geeft. Zo hadden er
zwarte katten over het terras van het hotel kunnen paraderen, terwijl kraaien vanuit de dakgoot
met schorre kelen hun waarschuwingen in mijn richting wierpen: ik had het waarschijnlijk niet
opgemerkt.

Terwijl het stadje langzaam ontwaakte - de bakker en de slager hadden hun borden al buiten gezet
- stond ik op mijn nieuwe plek bij de ingang van het hotel. Ik schoof mijn tafeltje van de schaduw
naar de zon, zette het pompje handreinigingsgel naast de tissues en deed mijn mondkapje om.
Mijn neus hield ik vrij tot er iemand in de buurt zou komen.
De enige mensen op straat waren van mijn leeftijd: zestig of ouder. Voornamelijk nette vrouwen
zoals ik; onderweg voor een vroege boodschap of een ochtendwandeling. Het viel me daarom ook
op toen ik in het midden van het plein, bij het plantsoentje, een jonge vrouw op het bankje zag
zitten. Ze moest een jaar of dertig zijn geweest, en op het eerste gezicht was er niets opmerkelijks
aan haar. Ze was netjes gekleed en had een vriendelijk gezicht. Maar toch wist ik dat zij een
dakloze was. Wanneer je gastvrouw bent in een hotel krijg je oog voor de verschillende soorten
mensen die een samenleving kent. Je ziet kleine nuances die een ander niet opvallen: de
vettigheid van het haar, de vermoeide blik; gekromde schouders. Een mens kan zich nog zo goed
proberen te verzorgen: zijn kleren wassen bij de wasserette, de schrammen op het gezicht
verbergen met make-up, glimlachen, maar wie geen dak boven zijn hoofd heeft draagt die last
zichtbaar met zich mee. Bovendien: er zijn maar een paar mensen die op het bankje in dat plantsoentje plaatsnemen. In de middag oudere mannen, en in de avond pubers. ’s Ochtend zit er nooit iemand. Behalve nu
dus.

Ik verloor mijn aandacht voor de vrouw toen, klokslag half zeven, Hein kwam aanrijden in zijn
sputterende, naar diesel stinkende bus. Hij parkeerde vlak voor mijn neus en liet, zoals altijd, de
motor draaien terwijl hij een sigaret opstak. Daarna zette hij de motor af, stapte uit en hief zijn
kleine sterke hand naar me op. Onder zijn vettige kin hing een babyblauw mondkapje,
strakgetrokken tegen zijn huid. De touwtjes sneden in zijn wangen.
‘Morgen, Nathalie.’
Ik knikte. Hij verdween achter zijn busje en kwam even later weer tevoorschijn met in zijn armen twee
enorme kratten vol drank en voorverpakte koeken. Hij probeerde te verbergen dat het hem veel
moeite kostte de kratten te tillen, maar zijn rode kop, die ik goed kende, verried hem.
Terwijl hij langs me liep boog ik me over de bovenste krat. ‘Anderhalve meter!’ zei hij met een
glimlach. De sigaret op zijn lippen wipte vrolijk heen en weer. Kleine toefjes as dwarrelden naar de
grond. Ik deed alsof ik hem niet hoorde en trok mijn mondkapje over mijn neus.
‘Weer geen fatsoenlijke wijn?’, vroeg ik.
Hein haalde zijn schouders op en knikte in de richting van ’t Oude Huys, het café naast ons. Sinds
de pandemie organiseerden ze daar besloten wijnavonden voor selecte gezelschappen. Volgens
henzelf hielden ze zich aan de officiële richtlijnen, maar wij wisten allemaal dat er achter de
gesloten gordijnen volwaardige bacchanalen plaatsvonden. Orgies, volgens sommigen, waarbij de
genodigden niets anders dan gasmaskers droegen. Zo ver wil ik niet gaan. Wat er zich daar ook
precies afspeelde: het was onfatsoenlijk en absoluut niet legaal. Aangeven had alleen geen zin,
want de chef van de politie was één van de vaste gasten.

Hein leverde zowel aan ons als aan hen, en zij hadden de complete wijnvoorraad die Hein nog had
direct ingekocht toen bleek dat importeren voorlopig lastig zou worden. Hein voelde zich hier
schuldig over. Vooral naar mij.
‘Lunchen we samen?’ vroeg Hein. Ik zag aan zijn voorhoofd, waar dikke aderen klopten als
onderhuidse wormen die naar buiten wilden, dat hij de kratten bijna niet meer hield.
‘Vandaag niet,’ zei ik. ‘En morgen ook niet. Je kent de regels.’
Hij zuchtte en liep met driftige passen verder. Een paar tellen later hoorde ik binnen de kratten met
een klap op de stenen vloer terechtkomen.


De regels verboden ons niet om samen te lunchen. Zolang we anderhalve meter afstand van
elkaar konden bewaren, was dat geen enkel probleem. Bovendien: er werd niet echt gecontroleerd
hier in dit stadje. Pas wanneer we bij elkaar op schoot zouden gaan zitten, zouden we misschien
een vreemde blik krijgen. Een opgetrokken wenkbrauw zien van een passant. Maar niemand zou
ingrijpen. Dit is voor mij geen reden om de regels aan mijn laars te lappen. Bovendien wist ik dat het een
slecht idee was om met een - soort van - collega aan te pappen. Ook al was hij maar een
leverancier. Ik zag hem elke dag; dat hoorde niet. Daar kon alleen maar gedoe van komen.

Op dat moment, terwijl ik mijzelf voor een zeldzaam moment in gedachten verzonken liet zijn,
verscheen ineens de jonge zwerfster in mijn blikveld. Nu ik haar van dichtbij zag, viel me op dat ze
nog niet zo lang dakloos moest zijn. Hoewel haar schouders hingen, stond ze redelijk recht en ook
haar huid was nog vrij gaaf. Ze had al met al een mooi gezichtje: ovaal met een klein wipneusje en
vrij brede lippen. In contrast daartegen lagen haar donkere haren in vettige slierten over haar

schouder, wat me op een afstand ook al was opgevallen. Ze rook niet fris. Oud zweet. Ze keek me
aan. Ik klemde mijn mondkapje strakker op mijn neus.
‘Kan ik u helpen?’
‘Dat hoop ik mevrouw. Ik zou graag van uw toilet gebruik maken.’
‘Dat zal helaas niet gaan,’ zei ik. ‘Het toilet is alleen voor gasten.’
‘Dat realiseer ik me,’ zei de vrouw keurig. ‘Maar toch zou ik er graag gebruik van maken.’
Ik haalde mijn schouders op.
‘Het zijn verscherpte regels, mevrouw. Dat zult u toch ook begrijpen.’
Ik wees naar het A4’tje dat ik een paar dagen geleden had geprint en naast de deur had
gehangen: Toilet alleen voor betalende gasten!!! Bvd!!!
‘Als u een kamer huurt of een diner reserveert, dan mag u zo vaak naar het toilet als uw hart u
ingeeft.’
Ik kon niet weglopen van het gesprek, maar wendde mijn blik naar het plein in de hoop een signaal
af te geven. De vrouw bleef staan.
‘Ik heet Zama,’ begon ze. ‘Ik was een kunstenaar in de stad, maar door de crisis heb ik niets meer
kunnen verkopen. Mijn laatste schetsen en mijn materialen verkocht ik voor een habbekrats om
nieuwe kleding van te bekostigen. Mijn huis raakte ik kwijt. Ik leef al drie weken op straat. Ik heb
geen familie. Ik vraag niet veel, alleen een toiletbezoek. Ik wil u er best voor betalen.’
Ik zuchtte.
‘En een vak leren, ho maar.’
‘Pardon?’
‘Van mij mag u wel naar het toilet, mevrouw,’ zei ik zoetjes.
‘Van mij mag de hele stad zijn behoefte hier komen doen! Maar ja. Ik maak de regels niet. En de
regel is duidelijk.’ Ik knikte over mijn schouder naar het A4’tje bij de deur.
Even bleef de vrouw stil. In spraak, maar ook in haar lichaamstaal. Ik zag niets bij haar: geen
irritatie, geen verdriet. Ze stond daar maar. Als een paspop met een slecht postuur en een vettige
pruik.
‘Weet u het zeker?’ vroeg ze.
‘Heel zeker,’ zei ik kordaat.
Ze zuchtte.
’Nou goed dan,’ en met een snel gebaar gespte ze haar riem los en trok haar broek tot op haar
enkels. Voor ik er erg in had hurkte ze al boven de stoep.
‘Mevrouw! Wat doet u nu!?’
‘Poepen,’ antwoordde ze.
‘Maar… maar, toch zeker niet hier?’
‘Waar anders?’
Ik zag dat ze begon te drukken omdat haar wangen rood werden.

‘Niet hier!’ riep ik, en uit een impuls greep ik het flesje desinfecterende spray en sprayde in haar
richting.
‘Als je toch op straat moet poepen, doe het dan daar!’
Ik wees met een trillende vinger in de richting van ’t Oude Huys. ‘Dat is toch een poeptent!’
Ze keek naar me op vanuit haar hurkende positie.
‘Twintig euro,’ zei ze, haar kaken op elkaar klemmend.
‘Pardon?’
‘Twintig euro. Dan poep ik voor ’t Oude Huys.’
‘Ha!’ lachte ik. ‘Dat gelooft u toch zeker zelf niet.’
‘Toch wel,’ zei ze. ‘En schiet op, want het komt er al bijna uit.’
Ik keek van de zwerfster naar ’t Oude Huys en weer terug. Een groep vrouwen van mijn leeftijd,
een zak verse broodjes onder de arm, stond op een afstandje naar het tafereel te kijken. Ik kan
oprecht zeggen dat ik met stomheid geslagen was. En ik kan nog altijd niet geloven dat ik deed
wat ik deed. Maar toen ik hoorde dat ze zachtjes begon te kreunen van het drukken, smeet ik de
fles desinfecterende spray op mijn tafeltje en rende naar binnen. Tien seconden later stond ik weer
buiten en smeet een briefje van twintig in haar richting.
Bliksemsnel trok de vrouw haar broek op, gespte haar riem weer dicht en pakte het briefje op van
de grond.
‘Net op tijd,’ zei ze. Ze maakte een soort vreemde buiging en liep toen met snelle passen in de
richting van ’t Oude Huys. Om niet als schuldige aangewezen te kunnen worden, ging ik gauw naar binnen. Maar vijf
minuten later kon ik mijn nieuwsgierigheid al niet meer bedwingen. Ik liep terug naar mijn tafeltje
en keek met een schuin oog in de richting van de buren, en wat ik daar zag gaf me een glimlach
van oor tot oor. Voor ’t Oude Huys stond de eigenaar, Tony, kokhalzend met stoffer en blik een
grote drol van de stoep te schrapen. Zijn hulpje, een knaapje van vijftien, kwam er achteraan met
een grote emmer met sop. Dat aangezicht alleen al gaf me het gevoel dat ik die twintig euro goed
had besteed.

 

Eén van de grote voordelen van mijn werk bij het hotel, is dat het me in staat stelde het
appartementje ernaast te huren. Vroeger was dat onder andere het kantoor geweest van de
directie, maar die was na de verbouwing verhuisd naar het souterrain in het hoofdgebouw. Het
kleine ouderwetse appartementje stond dus vrij en werd verhuurd aan medewerkers. Dertig jaar
stond ik op de lijst om kans te maken, en drie weken na mijn zestigste verjaardag was ik eindelijk
aan de beurt.
Nu was het avond en ik zat voor het open raam in de smalle keuken. Op mijn stoel wiebelend op
het geblokte linoleum. Normaal was dit mijn favoriete plek om ’s avonds tot rust te komen, maar nu voelde ik me vreemd. Alleen. En dat was ik ook: al jaren. Maar nu pas voelde ik het echt. Het kwam denk ik door de

stilte. Normaal gesproken kwam via het open raam het geroezemoes van het terras naar binnen;
het klinken van glazen, het gekletter van bestek. Je hoorde mensen lachen: uit beleefdheid, of
oprecht en oncharmant. Dan schonk ik een glaasje wijn in en baadde in het geluid dat via het
keukenraam tot me kwam. Het was heerlijk me tussen de mensen te voelen, zonder de
verplichting om ze ook maar één blik te gunnen of van een antwoord te voorzien. Van bovenaf
hoorde ik bij hen, maar zij niet bij mij. Zij wisten niet dat ik daar zat en onderdeel uitmaakte van
hun groep. Van hun familie. Van hun voetbalvereniging. Ik luisterde mee met hun gesprekken, die
naarmate de avond vorderde steeds luider werden. Ik bouwde een nest van hun geluiden, waar ik
opgekruld in ging liggen. Warm en veilig. Gelukzalig, voelde ik me dan.
Maar nu hoorde ik, op een beetje wind en de vogels na, niets. Ik kreeg heel even de neiging om
Hein te bellen, maar liet die gedachte snel varen.
Om van dit vreemde eenzame gevoel dat zich meester van me had gemaakt af te komen, ging ik
vroeg naar bed. Terwijl ik in slaap viel, dacht ik aan de zwerfster en ik voelde me blij en dankbaar
voor mijn kleine, fijne huis.

De volgende morgen stond ik vroeg op mijn post. Ondanks het vreemde gevoel van eenzaamheid
had ik goed geslapen, en ik keek er naar uit om straks de eerste gasten te ontvangen.
De bakker en de slager zetten hun borden buiten, en langzaam kwamen weer de eerste grijze
dametjes door de straat. Terwijl ik zo een beetje het straatbeeld aan het bestuderen was, schrok ik op toen Zama ineens weer naast me stond. Ze zag er net zo slecht uit als gisteren, maar ze had een vrolijke uitdrukking
op haar gezicht.
‘Wat is er?’ vroeg ik. ‘Een toiletbezoek?’
‘Laten we er geen doekjes om winden,’ antwoordde ze.‘Twintig euro. Anders doe ik het hier weer
op de stoep.’
‘Wat!?’ Ik moest lachen uit verontwaardiging.
‘U denkt zeker dat ik gek ben. Ga weg, anders bel ik de politie.’
‘Vond u het niet prettig, om uw rivalen gisteren mijn drol op te zien ruimen?’
Ik voelde dat ik rood werd.‘Wat is dat nou weer voor gekke opmerking. Natuurlijk niet. Dat geeft mij
geen enkele voldoening. Ik wilde simpelweg van u af zijn.’
‘U liegt,’ zei ze droogjes, ‘maar dat geeft niet. U bent van de regeltjes en van de afspraken, dus ik
herhaal mezelf nogmaals. Twintig euro, of ik poep hier op de stoep.’
Ik hoorde in de verte het sputterende busje van Hein aankomen. Ik wilde haar hier weg hebben, zo
snel mogelijk. Ik liep naar binnen, pakte twintig euro uit de kassa en gaf het haar.
‘Dit is niet om uw dreigement, maar omdat ik medelijden met u heb. Koop er alstublieft wat te eten
van en geen drugs of dat soort zaken.’

De vrouw nam het geld aan, stak het in haar broekzak en liep in een rechte lijn door naar ’t Oude
Huys. Ze gespte haar riem los, trok haar broek tot op haar enkels en hurkte. Direct kwam Tony
naar buiten gerend. Met een rode kop begon hij tegen Zama te schreeuwen, maar ze leek
absoluut niet geïntimideerd. Ze stond op, hees haar broek op en sprak. Wat ze bespraken kon ik
niet horen, maar na een paar minuten trok Tony zijn portemonnee uit zijn broekzak en gaf de
zwerfster twee biljetten. Zama vouwde het geld op en stak het in haar zak. Ze maakte weer die
vreemde lichte buiging die ze gisteren had gemaakt, en liep door naar het volgende café.

Die avond toen ik mijn appartementje binnenkwam was ik eerst nog vrolijk. Maar al gauw bekroop
me weer dat vreemde, eenzame gevoel. Normaal hield ik ervan lekker voor mijzelf te koken en aan
tafel van mijn maaltijd te genieten, maar nu kon ik niets anders dan twee boterhammen smeren die
ik voor de tv opat. Het was prettig de stemmen van de televisie te horen, ook al ging het over
politiek, wat me totaal niet interesseerde. Toen ik na het eten van mijn boterhammen de tv uitzette
overviel de stilte me.
Ik gooide alle ramen open, van de keuken tot de badkamer, maar weer niets anders dan wind en
vogels. Ik probeerde een boek te lezen, maar kon me niet concentreren. Er bouwde zich een
spanning in me op die eruit wilde. Ik kreeg de neiging om heel hard te gaan fietsen, of met
meubilair te gaan schuiven. Ik hield mezelf kalm, zette de tv in de woonkamer weer aan en kroop
in bed. De deur van de slaapkamer hield ik open, om op de achtergrond het geroezemoes van de
politiek verslaggever te kunnen horen.

De volgende morgen, om precies twintig over zeven, kwam Zama aan bij het hotel.
‘Ik waarschuw je,’ riep ik toen ik haar aan zag komen, ‘je krijgt niets meer van me. Ik bel de politie!’
Ik zag dat ze haar haren gewassen had. Ze zag er fris en uitgeslapen uit.
‘Je moet blij zijn dat ik maar twintig euro vraag,’ zei ze koeltjes. ‘Bij je buren krijg ik veertig en mag
ik een flesje wijn uitzoeken.’
‘Onzin,’ beet ik haar toe. ‘Je doet dit puur om me te stangen, alleen omdat ik mijn werk doe en de
regels volg.’
‘U doet uw werk, ik doe het mijne,’ zei ze, en ze begon haar riem weer los te gespen.
Ik holde naar binnen, pakte mijn mobiele telefoon uit mijn jaszak en draaide het nummer van de
politie. Vervolgens liep ik weer naar buiten.
‘Ja, hallo?’
‘Dag mevrouw, waarmee kunnen we helpen?’
‘Er zit hier iemand voor ons hotel die dreigt het terras onder te poepen.’
Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn. Het kraakte. Even dacht ik dat de verbinding
was verbroken.
‘Sorry?’ klonk het plotseling.

‘Er staat hier een vrouw, of nou, inmiddels hurkt ze, en ze dreigt ons terras onder te poepen als ik
haar geen geld geef.’
‘Ah, ja. Ik verbind u even door met de chef.’
‘Doet u dat maar!’ riep ik. Ik merkte dat ik waarschijnlijk paniekerig klonk, iets dat ik graag wilde
vermijden. Ik ademde diep in.
De vrouw keek me stoïcijns aan vanuit haar gehurkte positie. Een rode blos verscheen op haar
wangen.
‘Hallo, met De Zwart,’ klonk een zware stem aan de andere kant van de lijn.
‘Ja, hallo, ik word bedreigd door een wildpoeper.’
‘Ja, zoiets vernam ik van mijn collega.’
‘Kunt u komen om haar te arresteren? Zet haar maar een dagje in de cel, dan zal ze leren
fatsoenlijk te zijn.’
‘Ik ben bang dat we dat niet kunnen doen, mevrouw.’
‘Waarom niet?’
‘Tja. Hoe moet ik dit uitleggen.’
‘Is dat De Zwart?’ vroeg de zwerfster. Ik hoorde aan haar stem dat ze tegelijkertijd aan het drukken
was en werd er een beetje misselijk van. ’Doe hem dan de groeten.’
‘U moet nu komen,’ beet ik de agent toe. ‘Deze vrouw is duidelijk gek.’
‘Wij kunnen momenteel niks doen, mevrouw.’
‘Waarom niet? Ze overtreedt toch de wet.’
‘Dat is wel zo, maar… ja hoe leg ik dit uit. Gisteren heeft ze hier voor de ingang gepoept. Zo,
bovenop de mat. Het stonk ontzettend, en u kunt zich voorstellen dat mijn mensen hier absoluut
niet blij mee waren. Bovendien: heeft u weleens poep uit zo’n kokosmat proberen te schrapen?
Dat is niet te doen! We hebben hem weg moeten gooien.’
‘Waarom heeft u haar toen niet opgepakt?’ zei ik.
‘Nou, vanwege de aangescherpte regels, in het kader van de pandemie, mogen we niet meer
zomaar iedereen voor elk wissewasje oppakken, begrijpt u? We hebben dus maar de afspraak met
haar gemaakt dat ze geen boete hoeft te betalen, als ze voortaan haar behoefte maar ergens
anders doet.’
‘Ongelooflijk…’
‘Sorry mevrouw, het is -’
Ik hing op en liep weer naar binnen. Ik griste twintig euro uit de la, wat ik met zoveel kracht deed
dat ik mijn hand openhaalde aan de scherpe rand, en smeet het buiten in de richting van de
zwerfster.

 

Ruim twee maanden ging het zo door. Elke dag, van maandag tot zondag, kwam ze langs. Omdat
ik haar niet wilde zien, uit angst dat ik mijzelf zou verliezen en haar iets aan zou doen, ging ik naar
binnen wanneer ze de straat inkwam. Haar geld had ik in een envelopje op het tafeltje gelegd.

Wanneer ik zeker wist dat ze weg was kwam ik weer naar buiten. Dan zag ik haar langs de andere
cafés lopen. Ook daar hoefde ze alleen maar haar handje op te houden; er kwam steevast een ober naar
buiten om haar een envelopje met geld te overhandigen. Deze nam ze discreet in ontvangst,
waarna ze met geheven hoofd doorliep naar de volgende.
Soms kreeg ze meer dan een envelopje: een fles wijn, een zakje met lunch, een mooi oud kaasje.
Soms bleven de obers zelfs nog even met haar praten, alsof ze het gezellig vonden dat ze langs
kwam. Andere keren renden ze zelfs achter haar aan als ze iets waren vergeten. Dan lachte ze
een charmante glimlach en vervolgde haar weg.
Ze was een onderdeel geworden van het vaste ochtendritueel, zoals de uithangborden van de
bakker en de slager, en het gepruttel van Heins bus. Ik vroeg me af hoeveel geld ze op een dag
ophaalde, en concludeerde dat het veel moest zijn. Als ze bij mij twintig euro ophaalde, bij de
buren veertig en zo nog vijftien cafés, bakkerijtjes, restaurants en winkels afging, moest dat
behoorlijk oplopen.
Een collega vertelde me dat ze een week lang twee keer per dag haar behoefte voor de deur van
het gemeentehuis had gedaan, omdat ze weigerden met haar in zee te gaan.
Na die week gingen ze overstag: en hoe. Ze betaalden haar zoveel als nodig was om ervoor te
zorgen dat ze nooit meer in de buurt van het gemeentehuis zou poepen. Vanaf dat moment kwam
ze dagelijks op de koffie bij de burgemeester. Hij had haar uiteindelijk geïntroduceerd bij de
tennisclub, en sindsdien waren ze dikke maatjes. Althans, zo gingen de verhalen.
Dat ze het steeds drukker kreeg was in ieder geval zeker, want na verloop van tijd kwam ze zelf
niet meer dagelijks langs om het geld te innen. Ze had één van de lokale pubers, een jongen met
kort opgeschoren haar, voor twee tientjes per dag in dienst genomen. Hij reed met een brommertje
langs de cafés en terrassen om de envelopjes in ontvangst te nemen. De enige plek waar ik haar
soms nog zag, was het gemeentehuis, en de adressen waar ze wijn en andere luxe cadeaus
kreeg.

Hein deed die weken nog meerdere toenaderingspogingen, maar die hield ik af. Wanneer hij kwam
aanrijden, deed ik of ik druk bezig was met het inplannen van gasten in het hotel, of dat ik de
telefoon moest aannemen. Eerst zag ik aan hem dat dit hem verontrustte, maar na twee weken
besteedde hij geen aandacht meer aan me. Hij kwam aan, zette het bestelde eten en drinken
binnen, en vertrok weer zonder me aan te kijken. Ik kan niet zeggen dat ik dit prettig vond. Maar ik
wist dat het nodig was. Sommigen zaken moeten bewust vermeden worden, hoe verleidelijk ze
ook zijn, en hoe blij of vrolijk de gedachte eraan je ook maakt. Je kunt die gevoelens beter in de
kiem smoren, voordat ze je als een wild paard meeslepen naar de afgrond.

Wanneer ik thuis kwam na een dag werken, schrok ik van mijn spiegelbeeld. Mijn schouders
hingen, en ik had donkere kringen onder mijn ogen. Het onrustige gevoel dat ik kreeg zodra ik mijn

appartement binnenstapte, bleef aanhouden. Sterker nog, het leek met de dag erger te worden.
Elke dag hoopte ik dat de minister zou aankondigen dat de terrassen weer open mochten, zodat ik
in ieder geval ’s avonds het heerlijke geroezemoes van de mensen onder mijn raam zou horen.
Maar nee, het verbod bleef van kracht. Dus het bleef stil in het stadje. En in die stilte galmden mijn
gedachten zo hard door mijn hoofd dat ik vreesde dat anderen, op straat of in aanliggende huizen,
ze zouden kunnen horen.
Het duurde niet lang of ik kon niet meer slapen zonder het geluid van de tv. Een eigen maaltijd
koken had ik ook al weken niet meer gedaan. Ik bleef zo lang mogelijk aan het werk, bakte thuis
een ei of maakte voor mezelf een tosti, en als die op was ging ik slapen.
De enige menselijke geluiden die ik soms nog van buiten hoorde, waren de gasten die naar de
besloten wijnproeverijen van ’t Oude Huys gingen. Vrouwen op hoge hakken en mannen met
sjieke polshorloges kwamen bij het vallen van de nacht aangelopen. Ze waren altijd giechelig, als
kinderen die naar een schoolfeest gaan. Ik zag de wethouder, een stel bankiers, de vrouw van de
brandweercommissaris en de dochters van de burgemeester. Plus een hoop anderen: gezichten
die ik nooit gezien had, maar die eruit zagen alsof ze belangrijk waren. Zodra de deur open ging, hoorde je flarden muziek: harde jazz of schelle klassiek. Een lach ontsnapte uit de kier van de deur; applaus, gejoel. Daarna was het stil. De gordijnen waren permanent gesloten, dus verder kreeg ik niks mee van wat ze daar binnen allemaal uitspookten.


Toen ik op een avond uit mijn raam hing om de geluiden op te vangen, zag ik Zama aan komen
lopen. Het duurde even voordat ik haar herkende: ze had haar haren opgestoken en droeg een
lange jas. Vreemd genoeg hoopte ik ineens dat ze op zou kijken en mij zou zien. Maar dat
gebeurde niet.
Aan haar arm had ze een lange, brede man die ik in het donker niet herkende. Ze lachte naar
hem terwijl hij de deur opendeed, en binnen enkele seconden waren ze in het feestgedruis
verdwenen.

Een paar avonden later, na mijn werk, besloot ik dat ik nog helemaal niet naar huis wilde gaan.
Die middag vertelde een collega me dat hij in de wandelgangen had gehoord dat het hotel
verkocht ging worden. Ik wist dat onze eigenaar al een tijd lang op zoek was naar een koper, maar
ik had niet verwacht dat er tijdens de pandemie iemand zo gek zou zijn om dat daadwerkelijk te
doen. In principe hoefde dit nieuws niet het einde te betekenen van mijn leven zoals ik het kende. Het
hotel was al een paar keer in mijn loopbaan van eigenaar veranderd en nooit had ik er iets
nadeligs van gemerkt. Sterker nog: de huidige eigenaar had ik nog nooit ontmoet. Hij deed al zijn
zaken vanuit het buitenland, en liet het dagelijkse reilen en zeilen aan ons over.
Maar toch: het nieuws maakte me onrustig. De onrust in mijn lichaam bouwde zich, zo aan het einde van dag, sowieso weer op, en ik hoopte die spanning los te kunnen laten met een wandeling. Met mijn jas over mijn arm - het was een warme avond - liep ik een willekeurige straat in.

In de huizen zag ik gezinnen samen eten. Her en der rook ik de warme geur van een barbecue.
Cafés waren dicht, alhoewel er soms licht scheen achter de gesloten gordijnen. Eén van de
deuren van een sjiek restaurant, De Goudparel, stond op een kier. Er stak een mannenhand uit
met een brandende sigaret tussen wijs- en middelvinger. Hein had me ooit meegenomen naar De
Goudparel op mijn verjaardag. Hij mocht me niet van mijn werk komen ophalen en ik was als de
dood dat iemand ons zou zien, maar ik moet toegeven dat ik zelden zo’n avond heb meegemaakt.
Het eten was goddelijk en de wijn was zoals ik die nog nooit had geproefd. Ook met Hein zelf was
het gezelliger dan me lief was, en ik schrok ervan hoe vaak hij me aan het lachen kreeg. De hele
avond moet die arme man een vermogen hebben gekost. Ik wilde iets terugdoen, maar ik wist ook
dat dat hem het verkeerde idee kon geven.

Terwijl ik door liep, viel mijn oog op een zwaar, rood gordijn dat half opzij geschoven was. Ik keek
de eetzaal binnen en daar zag ik vier mensen aan een tafeltje weelderig dineren. Er stonden twee
kreeften klaar, een schaal oesters met citroenen, en aan de tafel hing een emmer met een grote
fles champagne. Het ene stelletje kende ik niet: de man en vrouw leken me sjieke mensen die zich
niet graag op het plein laten zien. Hun kleding was eenvoudig: een teken van echte rijkdom.
De andere twee, die ik pas goed kon zien toen ik een paar passen was doorgelopen, herkende ik
direct.
Politiechef De Zwart wreef met zijn hand over zijn buik en lachte erbij. Zijn lange zwarte haren
glommen in het licht van de kaarsen. Zijn vrije hand had hij op de knie van de vrouw naast zich. Zij
droeg een prachtige korte jurk van crèmekleurig zijde. Haar donkere haren waren opgestoken en
haar oren versierd met glinsterende gouden ringen. Op tafel, nonchalant naast de bloemen gelegd,
een handtasje van Hermès. Ze zag er prachtig uit, de zwerfster. Zama. Haar lippen waren
bordeaux gestift en ze droeg een lichte eyeliner. Meer had ze niet nodig. Ze was beeldschoon. Ze
deed me, in zekere zin, denken aan mezelf, veertig jaar geleden. En ook weer niet: de grootsheid
die ze uitstraalde was ongekend. Angstaanjagend, bijna. Ze had de allure van een filmster, of een
royalty. Het zou me niets verbazen als ze in werkelijkheid blauw bloed had gehad.
Ik kon niets anders dan voor dat raam blijven staan kijken. Kijken naar die glinsterende oorbellen,
naar de hardop lachende politiecommissaris die zich af en toe opzij boog en Zama in haar nek
kuste. Het kon dus ook niet anders dan dat ze me zouden zien. En toen het eenmaal gebeurde - ze had
net een slok van haar champagne genomen, zette het glas neer en keek uit het raam - stond ze
op, keek me even aan, en opende toen het gordijn verder. Alsof ze wilde dat ik het tafereel nog
beter kon aanschouwen. De Zwart, die mij nu ook opmerkte, hief even zijn glas naar me op en lachte beschaamd. Hij wuifde paniekerig naar de man tegenover hem, die gauw opstond en met een ferme ruk het gordijn sloot.

Ik heb lang gelopen die avond. Zo lang dat ik blaren kreeg die gingen bloeden. Maar hoe ik ook
liep, de spanning in mijn benen, in mijn lichaam, leek geen uitweg te vinden. Ik liep langs verlaten
parken en lege pleinen. Op de terrassen stonden stoelen op elkaar gestapeld; dikke kettingen door
de zittingen heen. De dichtgebonden parasols bewogen zacht in de warme zomerwind. Het stadje,
waar ik altijd iemand tegenkwam die ik in ieder geval vaag kende, en met wie ik een praatje kon
maken over onbenulligheden, leek op een spookstad.
Het enige wat verraadde dat er nog mensen waren, was de muziek die achter gesloten deuren
klonk. Het gelach dat opsteeg vanuit dakramen en vervolgens tussen de huizen schalde. Ik hoorde
dat ze er waren, maar ze zaten verstopt. Verstopt in hun huizen: de vrolijke gezinnen. De
geliefden. De seizoenarbeiders zonder werk. Verstopt, maar met elkaar.
Toen ik thuis kwam, was het ver na middernacht. Ik keek in de richting van ‘t Oude Huys, in de
vreemde hoop een glimp op te vangen van de nachtelijke bacchanalen. Maar de lampen waren uit.
Geen feest vanavond.
Ik stak de sleutel in het slot en wilde de deur openen, maar schrok van een drol die op mijn
deurmat lag. Pas nu ik hem zag, rook ik hem ook, en ik moest moeite doen niet te kokhalzen. Hij
was donkerbruin en groot, te groot voor een normale hondendrol. Ik wilde er niet naar kijken, maar
er was iets vreemds dat mijn aandacht trok. Met mijn neus tussen duim en wijsvinger bukte ik
voorover en keek: in de drol was een opgerold briefje gestoken. Geld. Twintig euro, zo te zien.
Ik stapte eroverheen en rende met grote passen de trap op naar mijn appartement.
Ik liet me vallen op het bed. De tv in de woonkamer schalde op vol volume. Ik probeerde mijn
gedachten niet in de ruimte te laten zijn, maar terug te denken aan vorige zomers. Zomers vol
nachtelijke gezelligheid, bittergarnituren op terrassen en straatmuzikanten. Zomers waarin het
gefluit van de vogels werd overstemd door het geluid van het feest. Maar steeds wanneer ik even
dat gelukkige gevoel in mezelf voelde opkomen, zag ik de lege pleinen voor me. De
dichtgevouwen parasols. De ijskramen met lege bakken. Ik zag Zama een kreeftenkop uitzuigen
aan een met zilver gedekte tafel. De politiechef die een fles champagne op zijn vlezige lippen
zette, de drank die over zijn kin liep en zijn overhemd doorweekte. Ik zag het interieur van ’t Oude
Huys, enkel verlicht door een paar grote kroonluchters. De zwarte gordijnen gesloten, en overal
mensen. Mensen met zwarte mondkapjes van fluweel, zonder kleren. Naakte mannen en vrouwen,
glimmend van het zweet en krioelend over elkaar. Handen op borsten, benen tegen billen. Op de
bar, op de pooltafel, in de garderobe. Overal kusten ze elkaar, beten ze elkaar, knepen ze elkaar.
En ik stond buiten. Voor een gesloten deur. Ik rook ze. Ik rook het zweet, de wijn, de sigaretten.
Maar ik stond buiten.

Ik stond op van mijn bed en liep naar de gang. Ik haalde mijn telefoon uit mijn jaszak en zocht het
nummer van Hein. Het duurde niet lang voor er werd opgenomen.
‘Ja?’
‘Heintje. Wat ben je aan het doen?’
‘Ik…ik sliep. Het is laat. Is er iets aan de hand?’
‘Nee, nee. Ik dacht alleen…misschien heb je zin om langs te komen?’
‘Ik?’
‘Ja, wie anders!’
‘Is er iets aan de hand?’
‘Nee, er is niets aan de hand. Ik heb zin om je te zien.’
‘O.’
Het bleef even stil.
‘Dat gaat niet, denk ik.’
‘O, en waarom dan niet?’ Mijn keel werd droog. Ik kuchte.
‘Het is laat. Ik moet morgen vroeg op. Ik heb een nieuwe baan.’
‘Is dat zo? Wat voor baan?’
‘Chauffeur.’
‘In die lelijke wagen van je?’
Weer viel er een stilte. De ruis op de lijn werd heviger. Ik zag Hein voor me in zijn kleine
appartement, slaperig, zijn badjas losjes om zijn lijf.
‘Ik moet slapen,’ zei hij tenslotte. ‘Ik zie je morgen.’
Ik hing op voor Hein het kon doen.


De volgende morgen stapte ik om zeven uur de deur uit en liep naar het hotel. De drol voor mijn
deur was weg.

Terwijl ik het terras op kwam lopen, kreeg ik een naar gevoel in mijn borst. Bij mijn tafeltje bij de
ingang stond mijn collega, dezelfde die me gisteren had verteld dat het hotel verkocht zou gaan
worden. Hij probeerde te glimlachen, maar ik zag dat hij het moeilijk had.
‘Het is gebeurd,’ zei hij.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ik terwijl ik mijn mondkapje voor deed.
‘Het hotel is verkocht. Gisteravond laat is de knoop nog doorgehakt. Ze hebben de hele nacht
onderhandeld en plannen gemaakt. We hebben een nieuwe eigenaar.’
Ik haalde mijn schouders op.
‘Prima,’ zei ik. ‘Ik zal hem wel zien vandaag of morgen. Waarschijnlijk verandert er weinig, zoals
altijd.’
‘Het is een zij,’ zei mijn collega.
Op dat moment hoorde ik de pruttelende bus van Hein de straat inkomen. Hij reed in onze richting
en stopte voor het terras. Hij stak dit keer geen sigaret op achter het stuur, maar sprong zodra hij

geparkeerd had de auto uit. Hij stak vluchtig zijn hand naar ons op en liep om, naar de
bijrijderskant die wij niet konden zien.
Het portier klapte dicht, en daar verscheen ze. Zama. Gekleed in een bordeauxrood mantelpakje
en met een sigaret op haar lippen. Onder haar kin hing een mondkapje dat bij haar outfit paste.
Hein kwam achter haar aan gehobbeld, een goudkleurige handtas tussen zijn papperige vingers.
‘Goedemorgen,’ zei ze met haar zachte stem. ‘Wat jammer dat we elkaar geen hand mogen
geven.’
Ik stak mijn elleboog uit, bij wijze van begroeting. Ze keek er een ogenblik naar, en liep toen langs
me heen naar de ingang van het hotel. ‘Loop je even met me mee?’

In haar kantoor ging ze schuin op het tafelblad van haar bureau zitten. Ze wees naar de stoel.
‘Alsjeblieft, voel je vrij.’
Ik ging in de stoel aan het bureau zitten. De anderhalve meter hielden we niet in acht: ze zat recht
voor me en keek op me neer. Ze haalde haar hand door haar haren, waarbij haar parelarmband rinkelde.
‘Ik heb rondgevraagd en iedereen is hier ontzettend blij met je.’
Ik wist niet waar ik precies bang voor was geweest, maar toch voelde ik dat ik mijn adem had
ingehouden. Ik zuchtte van opluchting.
‘Dat is fijn om te horen,’ zei ik.
‘Je schijnt vriendelijk te zijn voor je collega’s en je werk uitmuntend te doen. Je houdt je aan de
regels.’
‘Dat is mijn trots, mevrouw. De regels respecteer ik te allen tijden.’
Ze stond op van het bureau en liep een paar passen heen en weer door de kamer.
‘Je werkt hier al zo lang,’ zei ze ‘dat het me zwaar valt dit te zeggen.’
Weer dat nare gevoel in mijn borst. Spanning in mijn benen. Zama draaide zich om, kwam op me
af en hurkte bij me. Ze legde haar hand, met rood gelakte nagels, op mijn knie.
‘We weten dat je geld gestolen hebt.’
‘Wat!?’ Ik schaamde me voor mijn uitroep.
Ze legde haar uitgestoken wijsvinger tegen mijn lippen.
‘Shhhh. De afgelopen maanden, elke dag twintig euro uit de kassa.’
Ik voelde mijn ogen branden. Ik wilde iets zeggen, schreeuwen, maar er kwam niets in me op.
‘Geen bonnetje, geen verklaring. Niets. Elke dag, twintig euro. Weet je hoeveel geld dat is?’
Zama keek me diep teleurgesteld aan. Zo zaten we een tijdje tegenover elkaar. Toen veegde ze
met haar duim de tranen van mijn wangen.
‘Stil maar.’
Ik begon te snikken als een kind, met schokkende schouders.
‘Shhhh.’ Ze boog zich naar me toe en kuste mijn voorhoofd.
‘Ik ga je niet aangeven. Wees maar niet bang.’

Ze stond op en ging weer op het bureau zitten.
‘Een jarenlange trouwe werknemer stuur je niet naar de politie. Daar los je het zelf mee op.’
Ik knikte nederig. Weer wilde ik praten, maar de tranen bleven stromen en ik kon niets uitbrengen
zonder mijn stem te laten overslaan.
‘Ga maar,’ zei ze.
Ik stond op. Voor de deur draaide ik me om en veegde met mijn mouwen het nat van mijn wangen.
‘Dank je,’ stamelde ik.
‘Het is goed,’ zei ze, en ze knikte geruststellend.
‘Je zult wel begrijpen dat je hier niet langer kunt werken. Maar het komt goed met jou. Dat weet ik
zeker.’
Ik werd duizelig en keek naar de grond. In mijn ooghoek zag ik dat Hein in de deuropening
verscheen. Hij deed een stap naar voren en pakte me bij mijn arm. Ik wankelde.
‘O, en het appartement zul je uit moeten,’ riep Zama me na. ‘Dat is alleen bedoeld voor
werknemers van het hotel, zoals je weet. Maar maak je geen zorgen. Je krijgt een week om iets
anders te vinden.’
Alle kracht verdween uit mijn lichaam. Mijn benen die al weken onder spanning stonden, waren
nagenoeg gevoelloos. Hein ondersteunde me zodat ik niet omviel. Hij hielp me over de drempel. Ik kon mijn
blik niet oprichten en zag de tegels van de hal. De houten treden van de trap. De grote marmeren
entree, en voor ik het wist stond ik buiten. Ik voelde dat Heins greep verslapte, en toen helemaal
losliet. Ik hoorde hem teruglopen naar het hotel. Vanaf dat moment kon ik pas opkijken.


Ik keek om me heen. De bakker en de slager hadden hun borden al buitengezet. De eerste nette
vrouwen uit de buurt liepen, met de boodschappentas onder hun arm geklemd, over het plein. Op
weg voor een kleine boodschap.
Ik liep langzaam, voetje voor voetje, naar het plantsoentje op het midden van het plein. Daar ging
ik zitten op één van de houten bankjes. Het hout was nog koud van de nacht, en de kou drong
door mijn kleding mijn lichaam binnen. In de bomen om mij heen floten de vogels. Schel en atonaal. In de verte wapperde de vlag van hotel. Verder was het stil in het stadje.

Hotel Zama verscheen als bijlage bij het boek TEN PM van de Rotterdamse kunstenaar Iwan Smit. Een fysiek exemplaar van Hotel Zama is te koop bij de Utrechtse Boekenbar. Eindredactie: Bart Dirks.